Tijdens het verhoor verklaarde burgemeester Hubert Bruls, voorzitter van het Veiligheidsberaad tijdens de coronacrisis, dat het overlegorgaan vóór 2020 vooral bedoeld was voor afstemming tussen de 25 veiligheidsregio’s en overleg met het kabinet over crisisbeheersing. Voorbereiding op een pandemie stond wel op de agenda, maar was nog niet ver uitgewerkt.
Volgens Bruls was een overleg op 3 maart 2020 met ministers en veiligheidsregio’s een cruciaal moment. Daar ontstond feitelijk de samenwerking tussen het kabinet en de veiligheidsregio’s voor de aanpak van de coronacrisis. Het kabinet koos ervoor gebruik te maken van bestaande regionale crisisstructuren in plaats van een nieuwe landelijke organisatie op te zetten.
Bruls gaf aan dat hij al vroeg twijfelde aan een regionale aanpak. Toen Noord-Brabant als eerste maatregelen invoerde, zag hij dat inwoners eenvoudig naar andere regio’s konden uitwijken. Volgens hem was Nederland te klein voor langdurige regionale verschillen in coronabeleid.
Vanaf maart 2020 werden landelijke maatregelen via aanwijzingen van het ministerie van Volksgezondheid omgezet in noodverordeningen door de veiligheidsregio’s. Het Veiligheidsberaad streefde naar één uniforme noodverordening voor heel Nederland om verwarring te voorkomen en handhaving te vergemakkelijken.
Over zijn betrokkenheid bij de landelijke besluitvorming verklaarde Bruls dat hij niet deelnam aan het Katshuisoverleg. Wel werd hij door minister Ferd Grapperhaus geïnformeerd over de hoofdlijnen van de besprekingen, zodat hij het Veiligheidsberaad kon voorbereiden.
Bruls sprak met waardering over de rol van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en noemde de bijdrage van de organisatie en toenmalig NCTV-directeur Erik Akerboom en later Pieter-Jaap Aalbersberg van grote waarde voor de crisiscoördinatie.
Bij de eerste versoepelingen in april 2020 steunde het Veiligheidsberaad het openen van delen van de samenleving, maar waarschuwde het voor een te snelle herstart van grote evenementen. Ook maakte het beraad zich zorgen over het afschalen van de nationale crisisstructuur en bleef het zelf op maximale crisissterkte functioneren.
Verder benadrukte Bruls dat jongeren volgens het Veiligheidsberaad onevenredig zwaar werden getroffen door de maatregelen. Daarom werd gepleit voor eerdere versoepelingen van activiteiten voor jongeren zodra dat verantwoord mogelijk was.
Samenvatting: Mark Roscam Abbing
Mark Roscam Abbing was tijdens de coronacrisis directeur-generaal bij het ministerie van Algemene Zaken en een belangrijke adviseur van premier Mark Rutte. In het verhoor kwam zijn rol in de voorbereiding en coördinatie van de besluitvorming binnen het kabinet uitgebreid aan bod.
Volgens Roscam Abbing stond de bescherming van de zorgcapaciteit centraal in de crisisaanpak. Het voorkomen van overbelasting van ziekenhuizen en intensivecareafdelingen vormde een belangrijke leidraad voor de maatregelen die het kabinet nam. Hij verwees daarbij naar wat later de “rode lijn van Rutte” werd genoemd: voorkomen dat artsen moesten kiezen welke patiënten nog behandeld konden worden.
In het verhoor werd besproken hoe besluiten werden voorbereid in informele overleggen zoals het Catshuisoverleg. Roscam Abbing benadrukte dat daar scenario’s en opties werden besproken, terwijl de formele besluitvorming plaatsvond in de ministeriële crisisstructuren en uiteindelijk door het kabinet werd genomen.
Verder kwam naar voren dat de besluitvorming vaak plaatsvond onder grote tijdsdruk en onzekerheid. Veel informatie over het virus, de besmettelijkheid en de gevolgen voor de zorg was in de eerste fase nog beperkt beschikbaar. Daardoor moesten regelmatig keuzes worden gemaakt op basis van onvolledige kennis.
Ook werd stilgestaan bij de afweging tussen gezondheidsbescherming enerzijds en maatschappelijke, economische en sociale gevolgen anderzijds. Volgens Roscam Abbing werd geprobeerd deze belangen mee te wegen, maar kreeg de acute dreiging voor de zorg vaak prioriteit wanneer snelle besluiten noodzakelijk waren.
Ten aanzien van code zwart en triage werd duidelijk dat binnen het kabinet grote zorgen bestonden over situaties waarin onvoldoende zorgcapaciteit beschikbaar zou zijn. Het voorkomen van zulke scenario’s speelde een belangrijke rol bij de keuze voor ingrijpende maatregelen.
Kort samengevat schetste Roscam Abbing een crisisaanpak die sterk werd gestuurd door het voorkomen van zorgoverbelasting, waarbij besluitvorming plaatsvond onder hoge druk, met beperkte informatie en voortdurende afwegingen tussen volksgezondheid en maatschappelijke gevolgen.
