Onderzoekers van de University of Geneva (UNIGE) hebben aanwijzingen gevonden dat een vroeg verstoord glymfatisch systeem, het afvoersysteem van de hersenen, kan bijdragen aan een verhoogd risico op psychose en schizofrenie. Dit systeem verwijdert metabolisch afval, ontstekingsstoffen en overtollige neurotransmitters uit de hersenen via de circulatie van hersenvocht (cerebrospinale vloeistof) en uitwisseling met de vloeistof rond hersencellen. Wanneer dit reinigingsmechanisme niet goed werkt, kunnen ontstekingen en neurotoxische processen ontstaan die hersengebieden aantasten die betrokken zijn bij cognitieve functies en psychotische symptomen.
Psychotische stoornissen, waaronder schizofrenie, worden gekenmerkt door symptomen zoals hallucinaties, wanen, sociale terugtrekking en cognitieve achteruitgang. Ze ontstaan meestal in de adolescentie of vroege volwassenheid en komen voor bij ongeveer 0,5 tot 3% van de bevolking. De hippocampus, een hersengebied dat belangrijk is voor geheugen en cognitie, speelt een centrale rol in het ontstaan van deze symptomen.
De onderzoekers bestudeerden mensen met 22q11.2-deletiesyndroom, een genetische aandoening waarbij een klein stuk van chromosoom 22 ontbreekt en die gepaard gaat met een aanzienlijk verhoogd risico op psychose (ongeveer 30–40%). Deze deletie omvat ook genen die belangrijk zijn voor de structuur en werking van het glymfatisch systeem. Door hersenscans van deze groep, verzameld over een periode van meer dan 25 jaar, opnieuw te analyseren met geavanceerde technieken, konden de onderzoekers veranderingen in de hersenontwikkeling volgen. Met een speciale methode gebaseerd op diffusie-MRI, die de beweging van watermoleculen in hersenweefsel meet, maakten zij een indirecte schatting van de efficiëntie van het glymfatisch systeem.
Uit de analyses bleek dat de hersenafvoer al vanaf de kindertijd duidelijk verminderd was bij personen met de 22q11.2-deletie. Normaal gesproken neemt de efficiëntie van het glymfatisch systeem toe tijdens de ontwikkeling, maar bij een subgroep van deelnemers die later psychotische symptomen ontwikkelden bleef deze verbetering uit. Volgens de onderzoekers wijst dit op een neuro-ontwikkelingskwetsbaarheid die al lang vóór de eerste klinische symptomen aanwezig is en mogelijk ontstaat door een combinatie van genetische en omgevingsfactoren.
Daarnaast onderzochten de wetenschappers de balans tussen stimulerende en remmende signalen in de hippocampus. Daarbij keken ze naar de neurotransmitters glutamaat (stimulerend) en GABA (remmend). Ze ontdekten dat een slechter werkend glymfatisch systeem samenhing met een grotere verstoring van deze balans. Overmatige neuronale stimulatie kan giftig worden voor zenuwcellen en bijdragen aan structurele veranderingen in hersengebieden die betrokken zijn bij psychose.
De resultaten suggereren dat een slecht functionerend hersenreinigingssysteem de hersenen gevoeliger kan maken voor psychose, mogelijk via mechanismen zoals ontsteking of overmatige neuronale activiteit. De volgende stap in het onderzoek is het bestuderen van factoren die dit systeem kunnen beïnvloeden, zoals ontstekingsmarkers in het bloed en slaapkwaliteit, aangezien slaap bekendstaat als een belangrijke regulator van het glymfatisch systeem. Het identificeren van dergelijke beïnvloedbare factoren kan volgens de onderzoekers uiteindelijk helpen om strategieën te ontwikkelen die het begin van een eerste psychotische episode kunnen vertragen of mogelijk voorkomen.