Een studie onder 3.910 voormalige college-atleten uit 20 sporten onderzocht de relatie tussen het aantal hersenschuddingen en de hersengezondheid tot vijf jaar na afstuderen. De deelnemers, waarvan bijna de helft vrouw was en de meesten op NCAA Division 1-niveau speelden, werden zowel aan het begin van hun sportcarrière als binnen vijf jaar na afstuderen getest met vragenlijsten en in totaal 11 metingen van fysieke, mentale en cognitieve gezondheid.
Van de deelnemers rapporteerden 213 drie of meer hersenschuddingen, 1.203 één of twee, en 2.494 geen. Atleten met drie of meer hersenschuddingen hadden gemiddeld meer symptomen (ongeveer vijf versus drie) en scoorden slechter op meerdere gebieden, waaronder angst, depressie, psychologische stress, slaapkwaliteit en algemeen welzijn. Ook atleten met één of twee hersenschuddingen scoorden iets slechter dan de groep zonder hersenschuddingen op vergelijkbare metingen.
Na correctie voor factoren zoals pijnimpact bleven deze verschillen bestaan, al waren de effectgroottes klein. De meeste deelnemers bleven binnen normale klinische waarden voor hersengezondheid. Omdat de groep nog jong is (twintigers), is onduidelijk hoe deze verschillen zich op langere termijn ontwikkelen. De studie benadrukt het belang van langdurige monitoring en mogelijke vroege interventies. Een beperking is dat de meerderheid van de deelnemers wit was, waardoor de resultaten mogelijk minder generaliseerbaar zijn.
