Zwangere blootstelling aan BPA-alternatief gelinkt aan gedragsproblemen

Blootstelling aan de stoffen methylparabeen en bisfenol S (BPS) tijdens de zwangerschap kan samenhangen met gedragsproblemen bij jonge kinderen. Dat blijkt uit een grootschalige cohortstudie onder leiding van Inserm, in samenwerking met CNRS, de Université Grenoble Alpes, het regionale universitair ziekenhuis in Grenoble en het Barcelona Institute for Global Health. De resultaten zijn op 9 december 2025 gepubliceerd in The Lancet Planetary Health.

De onderzoekers bestudeerden de blootstelling aan twaalf stoffen die bekendstaan of worden verdacht als hormoonverstorende stoffen, waaronder bisfenolen, parabenen en triclosan. De blootstelling werd tijdens de zwangerschap zeer nauwkeurig gemeten via herhaalde urinemonsters. In sommige gevallen verzamelden de vrouwen tot 42 monsters, wat zorgt voor een uitzonderlijk betrouwbare schatting van de werkelijke blootstelling.

De studie omvatte twee grote cohorten:

1.080 moeder-kindparen uit Barcelona (2018–2021)

484 moeder-kindparen uit de regio Grenoble (2014–2017)

Na de geboorte werd het gedrag van de kinderen tussen 18 maanden en 2 jaar beoordeeld met de Child Behavior Checklist (CBCL), een door ouders ingevulde vragenlijst die mogelijke problemen zoals aandachtstoornissen, angstig, depressief of agressief gedrag in kaart brengt.

Uit de analyse blijkt dat blootstelling aan methylparabeen in het derde trimester van de zwangerschap samenhing met hogere scores op deze gedragsvragenlijst, wat kan wijzen op een verhoogd risico op gedragsproblemen. Voor bisfenol S, een veelgebruikte vervanger van het deels verboden bisfenol A, werd eveneens een verband gevonden met verhoogde gedragscores, maar uitsluitend bij jongens. Een gecombineerd “cocktaileffect” van meerdere fenolen werd niet vastgesteld.

Volgens hoofdonderzoeker Claire Philippat is dit extra zorgelijk omdat bisfenol S juist op grote schaal wordt ingezet als alternatief voor bisfenol A in onder meer voedselverpakkingen en kunststoffen. Steeds meer studies wijzen erop dat ook deze vervanger schadelijke gezondheidseffecten kan hebben.

Daarnaast onderzochten de wetenschappers of verstoring van de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HPA-as) – het hormonale stresssysteem – de relatie zou kunnen verklaren. Hiertoe werden stresshormonen in haarmonsters van de moeders geanalyseerd. Deze metingen konden het waargenomen verband echter niet verklaren. De onderzoekers sluiten niet uit dat andere hormonale systemen, zoals de schildklier- of oestrogeenhuishouding, een rol spelen.

De auteurs benadrukken dat hun bevindingen geen definitief causaal bewijs leveren, maar wel duidelijke aanwijzingen geven dat prenatale blootstelling aan deze veelgebruikte stoffen risico’s kan hebben voor de neuro-ontwikkeling. Zij pleiten daarom voor vervolgonderzoek in grotere en diverse populaties, met langdurige follow-up van kinderen.

Het onderzoek werd gefinancierd door onder meer het Franse voedselveiligheidsagentschap ANSES, de Fondation de France en het Europese ATHLETE-programma, dat zich richt op de gezondheidseffecten van milieublootstellingen vanaf de vroegste levensfase.

De resultaten onderstrepen volgens de onderzoekers de noodzaak om de blootstelling van zwangere vrouwen aan hormoonverstorende stoffen verder te beperken, zeker nu alternatieven voor verboden stoffen zoals BPA steeds breder worden toegepast.