Op woensdag 10 december 2025 voerde de Tweede Kamer een uitgebreid tweeminutendebat over waterbeleid, met nadruk op waterkwaliteit, drinkwaterbescherming, pfas-vervuiling en de staat van vitale waterinfrastructuur. Het debat volgde op eerdere commissiebesprekingen en leidde tot een reeks moties en toezeggingen van minister Tieman (Infrastructuur en Waterstaat).
Een belangrijk thema was de kwetsbaarheid van watergebonden infrastructuur in Zeeland. BBB diende moties in over de afhankelijkheid van bruggen, dammen en waterwerken, en over de toekomst van het Grevelingenmeer. De Kamer verzocht het kabinet in overleg te gaan met de provincie Zeeland over risico’s voor bereikbaarheid, economie en waterveiligheid, en om samen met meerdere ministeries de mogelijkheden voor het verzoeten van het Grevelingenmeer te onderzoeken. Beide moties kregen het oordeel Kamer.
D66 richtte zich op de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De partij uitte zorgen over plannen van de Europese Commissie om de richtlijn versneld te herzien ten behoeve van grondstofwinning. Volgens D66 mag dit niet ten koste gaan van drinkwater en milieu. Een motie om in Brussel te pleiten voor een gedegen impactanalyse en een beoordeling van gevolgen voor de Nederlandse waterkwaliteit kreeg eveneens oordeel Kamer.
Vanuit de ChristenUnie werd gewezen op de urgente staat van het verouderde spui- en gemaalcomplex in IJmuiden, dat cruciaal is voor waterveiligheid in Centraal-Holland. De Kamer vroeg de regering om duidelijkheid over planning, besluitvorming en kosten van vernieuwing. Ook deze motie kreeg steun van de minister, met de kanttekening dat kostenramingen globaal zullen blijven.
Een terugkerend onderwerp was pfas. Meerdere partijen, waaronder GroenLinks-PvdA en Partij voor de Dieren, uitten grote zorgen over de wijdverbreide aanwezigheid van deze stoffen in water, bodem en drinkwaterbronnen. Er werd onder meer gesproken over pfas in bestrijdingsmiddelen, lozingen door bedrijven en vergunningverlening op provinciaal niveau. De minister zegde toe hierover intensiever overleg te voeren met andere departementen en provincies en in het eerste kwartaal van 2026 met nadere informatie te komen.
De PVV bekritiseerde het Europese “one out, all out”-principe van de KRW, waarbij een waterlichaam als onvoldoende wordt beoordeeld als één stof de norm overschrijdt. Volgens de partij dreigt hierdoor een nieuwe bestuurlijke crisis. De minister erkende de problematiek, wees op aanvullende beoordelingsindicatoren die inmiddels zijn ingevoerd, en noemde de motie overbodig.
Tot slot kwamen lokale milieuproblemen aan bod, zoals de grote berg staalslakken in Spijk en de aanpak van de Amerikaanse rivierkreeft. Moties hierover werden door de minister als ontijdig beoordeeld of ontraden, omdat lopend overleg en onderzoek nog gaande zijn.
Het debat onderstreepte de brede zorgen in de Kamer over waterkwaliteit, gezondheid en infrastructuur, en liet zien dat zowel nationaal als Europees beleid bepalend zal zijn voor de komende jaren.