Nieuw onderzoek, gepubliceerd in Neurology, wijst erop dat dagelijkse rijpatronen een krachtige en vroegtijdige aanwijzing kunnen zijn voor cognitieve achteruitgang bij ouderen. In een drie jaar durende studie onder bijna 300 oudere autobestuurders bleek dat subtiele veranderingen in rijgedrag – zoals minder vaak rijden, vooral ’s nachts, en een voorkeur voor vertrouwde routes – sterk samenhangen met het ontstaan van milde cognitieve stoornissen, een voorstadium van Alzheimer.
Het onderzoek volgde 56 mensen met milde cognitieve beperkingen en 242 cognitief gezonde deelnemers, allen gemiddeld 75 jaar oud en actief als bestuurder. Met een onopvallend GPS-trackingapparaat in de auto werden rijgegevens verzameld: afgelegde afstanden, snelheidspatronen, variatie in routes, en frequentie van ritten.
Aanvankelijk leek het rijgedrag van beide groepen op elkaar, maar na verloop van tijd tekenden duidelijke verschillen zich af. Personen met beginnende cognitieve problemen gingen minder vaak de weg op, vermeden nachtelijke ritten en weken nauwelijks af van hun vaste routes. Deze veranderingen traden op nog vóórdat er ongelukken of bijna-ongevallen plaatsvonden.
Op basis van de rijgegevens alleen kon met 82% nauwkeurigheid worden voorspeld wie mild cognitieve achteruitgang had ontwikkeld. Wanneer deze gegevens werden gecombineerd met leeftijd, demografie, cognitieve testresultaten en genetische risicofactoren, steeg de voorspellende waarde tot 87%. Ter vergelijking: dezelfde combinatie van factoren zónder rijinformatie kwam niet verder dan 76%.
Volgens de onderzoekers biedt continu inzicht in rijgedrag een laagdrempelige en niet-opdringerige manier om cognitieve achteruitgang in een vroeg stadium te signaleren. Dit kan helpen om tijdig interventies in te zetten, nog voordat er veiligheidsproblemen op de weg ontstaan. Wel benadrukken de auteurs het belang van privacy, autonomie en zorgvuldige ethische afwegingen bij het gebruik van dergelijke gedragsdata.
Hoewel de studie voornamelijk werd uitgevoerd onder hoogopgeleide, witte deelnemers, en de resultaten dus mogelijk niet voor alle bevolkingsgroepen gelden, tonen de bevindingen een veelbelovende nieuwe benadering voor vroegtijdige opsporing van cognitieve achteruitgang. De studie werd ondersteund door de National Institutes of Health en het National Institute on Aging.
