Wereldwijd zien mensen dieren als voelend, maar mentaal anders

Mensen over de hele wereld zijn het opvallend vaak met elkaar eens over dieren: ze kunnen denken en voelen, maar hun manier van denken verschilt fundamenteel van die van mensen. Dat blijkt uit een grootschalige internationale studie van onderzoekers van de Universiteit Leipzig en het Max Planck Institute for Evolutionary Anthropology, gepubliceerd in het Journal of Environmental Psychology.

Voor het onderzoek werden meer dan 1.000 kinderen (4–17 jaar) en bijna 200 volwassenen ondervraagd in 33 gemeenschappen verspreid over 15 landen. De resultaten laten zien dat het geloof in de uniciteit van het menselijk denken al vroeg in de kindertijd ontstaat en gedurende het hele leven grotendeels onveranderd blijft. Over de vraag of dieren emoties op een vergelijkbare manier ervaren als mensen bestaat minder overeenstemming.

Daarnaast vonden de onderzoekers duidelijke verschillen tussen stad en platteland. Kinderen en jongeren in stedelijke gebieden schrijven dieren vaker gedachten en gevoelens toe dan hun leeftijdsgenoten op het platteland. Mogelijke verklaringen zijn een grotere blootstelling aan antropomorfe media in steden, tegenover direct contact met vee of potentieel gevaarlijke dieren in landelijke gebieden.

Volgens de onderzoekers hebben deze opvattingen belangrijke ethische gevolgen. Dieren die als ‘gevoeliger’ of menselijker worden gezien, zoals zoogdieren, krijgen meer bescherming, aandacht en politieke steun. Insecten daarentegen, ondanks hun cruciale rol in ecosystemen en hun sterke achteruitgang wereldwijd, blijven grotendeels buiten beeld. De studie laat daarmee zien hoe diepgewortelde ideeën over denken en voelen direct doorwerken in dierenwelzijn, natuurbescherming en biodiversiteitsbeleid.